Bloemlezing van mijn militaire diensttijd

Tekst, foto's en film: Aad Möntemann (vm. Dpl. Kpl. KLu)

Bunker
De Triumph Bonneville motor voor de rit van Badhoevedorp naar Gilze-Rijen.

De Keuring

Op 7 maart 1967 werd ik goedgekeurd voor de militaire dienst, lichting ’68-5. Niks S5, niks gewetensbezwaar, niks totaalweigeraar, ook geen broederdienst, ik ging gewoon. Bovendien, m’n vader was ook in dienst geweest, zelfs nog gemobiliseerd in 1939, dus die had mij een vreselijk watje gevonden wanneer ik gepoogd had er onderuit te komen. Ten tijde van de keuring was ik werkzaam bij de KLM als vliegtuig elektronicamonteur, dus vroeg ik plaatsing bij de Koninklijke Luchtmacht aan. Meestal werd dat gehonoreerd, zo ook bij mij.

Maar daarmee was je er nog niet; de KLu liet ook nog een eigen keuring op de uitverkoren dienstplichtigen los. Zo ontving ik in augustus een uitnodiging, vergezeld van een treinkaartje, om mij op een zondagavond in september 1967 op de vliegbasis Gilze-Rijen te melden. Daar zou ik één nacht verblijven waarna op maandag de keuring plaatsvond en je vervolgens naar huis kon. Die keuring was niet medisch maar meer psychologisch gericht en testen van je kennisniveau.

Dus ik op de bewuste zondagavond naar Gilze-Rijen. Met de trein? Ben je gek, de trein is voor ouwe mensen. Eigen vervoer natuurlijk, met de motor. Een Triumph Bonneville had ik toen, daar trilde helaas nog weleens iets aan stuk. De rit vanaf Badhoevedorp verliep voorspoedig tot ik na het passeren van de brug bij Gorinchem achterom keek; geen achterlicht. Ai, volgende tankstation even een nieuw lampje scoren. Dat hoefde niet meer want wat bleek, de hele nummerplaatsteun inclusief kentekenplaat en achterlicht was verdwenen. Slechts een kaal achterspatbord waaruit 3 draadjes staken restte. Dan maar doorrijden naar Gilze-Rijen, waar jongens met eigen vervoer zich moesten melden bij het station om vervolgens achter de bus met mensen, die wel zo verstandig waren geweest met de trein te komen, naar de vliegbasis te rijden. Na m’n aankomst bij het station kwamen er al vlot twee Marechaussees naar me toe. Hoe ik het in godsnaam in mijn hoofd haalde om op een motorfiets zonder kenteken en achterlicht te komen, terwijl ik een gratis treinkaartje toegestuurd had gekregen. Ik moest lopend met de Triumph van het station naar de vliegbasis; de bus was allang weg. Gelukkig ging de spoorovergang dicht en werd ik door de binnenkomende trein aan de ogen van de Marechaussees onttrokken. Snel startte ik de motor waarna ik met een forse dot gas naar de vliegbasis reed. Daar vond ik na veel gezoek in donker de rest van het gezelschap terug en werd ons een slaapzaal gewezen.

De keuring, de volgende dag, verliep probleemloos en niemand kwam langs om te vragen van wie die motor zonder kenteken was in de stalling.
Voor de thuisreis had ik met behulp van een stuk blauw karton (die kleur was er in overvloed bij de Luchtmacht) en een krijtje een kentekenplaat gemaakt, maar na vijf minuten in een regenbui te hebben gereden was die ook weer weg. Uiteindelijk heb ik toch mijn dienstplicht bij de Luchtmacht mogen vervullen.

De LOKS

Maandag 9 december 1968 was het zover. Opnieuw melden bij de vliegbasis Gilze-Rijen. Ik was geselecteerd om opgeleid te worden tot dienstplichtig onder-officier aan de Luchtmacht Opleidings- en Kader School (LOKS). Dat betekende 21 maanden dienen i.p.v. achttien. Maar ja, wat is drie maanden op een mensenleven. Weer met eigen vervoer erheen; de motor had intussen plaatsgemaakt voor een Austin Mini.

Bunker
Schietoefeningen met de UZI op de Klokkenberg bij Breda.

Over die militaire opleiding had je natuurlijk al de meest wilde verhalen gehoord. Ik moet zeggen, dat viel alles mee. Als KLu militair werd je getraind om een vliegbasis te verdedigen, geen aanvalsopleiding. De eerste dagen was het allemaal een beetje wennen en aftasten. Alle opgekomen militairen werden verdeeld in zgn. ‘vluchten’. Onze vluchtcommandant was Adj. Wulffaert, geassisteerd door Sgt. van Poucke. Uniform werd aangemeten, je kreeg een werkpak en meer door de krijgsmacht noodzakelijk geacht spul wat de verzamelnaam PSU (Persoonlijke Standaard Uitrusting) had. En het meest spannende: een wapen: de PM UZI, een Pistool Mitrailleur van Israëlische makelij met houten kolf. Maar schieten was er de eerste weken niet bij, alleen schoonmaken, demonteren en monteren. Verder bestond het programma uit lessen zoals rangen en standen bij de krijgsmacht, reglement eerbewijzen, vlagceremonies. En niet te vergeten NBC, Nucleaire, Biologische en Chemische Oorlogsvorering. Over die lessen kreeg je tussentijds toetsen, 0 t/m 100 punten kon je scoren. 51 was voldoende. Goh, was het in het onderwijs maar zo…

Daarnaast veel buitenactiviteiten, marcheren, exerceren en oefenen in het verdedigen van de vliegbasis op de Molenschotse heide. Een gasmaskertest behoorde ook tot de uitjes, daartoe werd je in een bunkertje opgesloten waarin een traangaspatroon werd afgestoken. Lekte je masker, dan merkte je dat snel genoeg. Ook moest je bij elkaar een oogglas van het masker verwisselen. Jankend en hoestend kwamen we dat bunkertje uit. Verder een aantal uren per week sport en zwemmen. En ongewapend vechten niet te vergeten. Hoe meer lawaai je daarbij maakte, des te hoger je puntenwaardering. Sport en zwemmen vind ik leuk, maar het moet niet verplicht zijn…

Op enig moment werden twee vrijwilligers gevraagd om één keer in de week schone lakenpakketten over de kamers te verdelen en de zakken met vuile was op te halen. Dat gebeurde precies in een sportles; ik was de eerste die zich als vrijwilliger opgaf.
Eén ding heb ik gelukkig gemist, de stormbaan! Die was er wel op Gilze-Rijen maar eind 1968 vroor het stevig en nadat van een eerdere lichting twee jongens een arm hadden gebroken op de spekgladde stormbaan, werd deze tot nader order buiten gebruik gesteld. Ik ben er nooit overheen geweest in elk geval.

Vaccinaties waren ze ook gek op. De eerste vrijdagen was het voor het naar huis gaan steevast een prik halen. Dan had je thuis eventueel de last ervan en niet onder dienst.
Al snel had ik liefhebbers om met mij mee te rijden in de auto. De reiskostenvergoeding voor die ‘meerijders’ kon ik declareren, daar kwam ik goed mee uit. Zo had ik elk weekend een auto vol met dienstmaten.

Tijdens zo’n rit van Gilze-Rijen naar huis hebben we ons militair zijn praktisch toegepast. Bij Lexmond ging de A27 in die tijd nog over in een tweebaansweg. Daar was een ongeval gebeurd, waardoor het verkeer vast stond. Naast de tweebaansweg lag een ventweg maar daar tussenin stond een hek van prikkeldraad. Dat hek hebben de vier LOKS boys, in uniform, toen even met militaire precisie verwijderd, waarna het verkeer over de ventweg verder kon. Wij wilden tenslotte ook naar huis.
Na anderhalve maand in dienst gingen we regelmatig schieten, op 25 en 100 meter, op de schietbaan 'De Klokkenberg' bij Breda. Dat ging een keer bijna mis toen een soldaat tegen alle regels in, zijn met patronen gevulde magazijn al voor z’n schietbeurt in de UZI stak, die vermoedelijk niet op veilig stond. Tijdens een rustpauze klonk een knal. Godzijdank, niemand viel of zakte in elkaar; de kogel was recht omhoog richting heldere hemel gegaan. De soldaat kreeg van zijn schietinstructeur een blaartrekkende uitbrander, daar bleef het verder bij.
Tien minuten later tikte de instructeur de onfortuinlijke schutter nog eens op zijn schouder met de mededeling: ‘ik kreeg net bericht van Petrus, je hebt niemand geraakt.’ We lagen dubbel van het lachen. Zoiets was tekenend voor de redelijk ontspannen sfeer bij de KLu.
Elke vrijdagmiddag veldloop. 2,3 km hardlopen door ‘geaccidenteerd terrein’ zoals dat in dienstjargon heette. De eerste weken stond je na een kilometer al de longen uit je lijf te hoesten maar naarmate de opleiding vorderde merkte je dat de conditie toenam en aan het eind van de LOKS periode liep je die 2,3 km fluitend.

Bunker
Rust tijdens de oefening op de Molenschotse Heide.

De opleiding op Gilze-Rijen werd afgesloten met een meerdaagse oefening op de Vrachelse heide. Dat betekende weinig slapen in een tentje, eten uit blik, en bibberen van de kou in een schuttersput. Het was maart 1969, 's-nachts vroor het enkele graden. Tijdens een van die koude nachten in dat tentje dwaalden mijn gedachten af naar een KLM collega die gelijk met mij in dienst had gemoeten. Hij trouwde kort voor z’n oproep en diende bij zijn gemeente een aanvraag voor kostwinnersvergoeding in. De gemeente dacht, dat gaat ons geld kosten en vroeg vrijstelling voor hem aan. Met succes! Er was een overschot aan dienstplichtigen in die tijd. Had ik nu toch iets verkeerd gedaan?

Aan het eind van de meerdaagse oefening was er de keuze: alle spullen opruimen en met de auto terug naar Gilze-Rijen of lopend terug op kaart en kompas. Samen met vijf anderen koos ik voor het laatste. Het leuke was dat we ook nog wat dozen losse-flodders voor de UZI meehadden. In het wilde weg schietend legden we onze weg naar Gilze-Rijen af. Al knallend staken we de snelweg A27 over ter hoogte van de huidige verzorgingsplaats Kalix Berna. Kijk, daar staat een loods open; daar ging weer een salvo want dat klonk zo lekker hol.

Zo kwam na vier maanden een einde aan de opleiding op Gilze-Rijen en werden we allemaal bevorderd tot Korporaal. Enkele jongens hadden ook nog hun Militair Lichamelijke Vaardigheid (MLV) speld gehaald. Ik niet, verplichte sport hè, niet mijn ding… Na de bevordering tot Korporaal was ook bekend wat je uiteindelijke functie in dienst zou gaan worden. Voor mij was dat Spec-Lan, oftewel Specialist Lanceerder bij een Nike of Hawk raketeenheid in Duitsland.

De LETS

10 april 1969 werd onze groep overgeplaatst van Gilze-Rijen naar de Luchtmacht Elektronische en Technische School (LETS) bij Deelen. De LETS was gevestigd op Groot Heidekamp, een voormalig Duits kamp uit de Tweede Wereldoorlog. Onze onderkomens bestonden uit een soort stolpboerderijtjes, maar wel met muren van ruim een halve meter dik en stalen raamluiken. Het waren gewoon bunkertjes met als voordeel dat het er nooit te warm of te koud was.

Intussen was ik om-gecodeerd van Spec-Lan naar Spec-RoRad. (Specialist Radio-Radar). Het vervelende daarvan was dat ze me op de LETS weer alles gingen leren wat ik al op de MTS en bij de KLM had geleerd. Over gelijkstroom, wisselstroom, weerstanden, condensatoren, radiobuizen, solderen en borgdraadjes aanbrengen. Ik verveelde me stierlijk. Ben een keer naar m’n mentor, 2e Lt. van Barneveld, gestapt en heb gezegd: ‘laat die LETS voor mij maar zitten, stuur me naar een onderdeel waar ik me echt nuttig kan maken.’ Het tegenargument was dat de KLu haar eigen kwaliteitsnormen heeft v.w.b. opleiding en kennis. Dus ik moest het maar overleven en accepteren dat ik opnieuw een schooljongen was.

Naast de gebruikelijke wachtdiensten kende de LETS ‘stand-by’ diensten voor de vliegbasis Volkel. Stand-by betekende dat bij een calamiteit LETS eenheden werden ingezet voor de bewaking van de vliegbasis Volkel. Dat mocht ik dus een keer meemaken, een alarm op Volkel. Waarschijnlijk een oefening maar dat wist men zogenaamd niet. In feite ging het scenario ervan uit dat het Rode Leger al onderweg was. Dus de hele stand-by club van de LETS in een vrachtwagen naar Volkel.
Daar aangekomen werd ik van een wapen voorzien wat ik nimmer gezien had, laat staan wist hoe het werkte. Het bleek een BAR te zijn. Ook werd me een soort bodywarmer omgehangen met opgestikte zakken, waar gevulde patroonhouders voor de BAR in zaten. Ik leek wel een zelfmoordterrorist al bestonden die toen nog niet. Met dat spul werd ik naar een plek gereden waar F104-G Starfighters van kernkoppen werden voorzien. Ja, ik heb ze echt voorbij zien komen op wagentjes, met het bekende ‘ban-de-bom’ symbool erop. Had ik toen maar een fotocamera bij me gehad…
Die straaljagers stonden elk in een rode cirkel met een gewapende Amerikaanse militair erbij. Tijdens de briefing waren we gewaarschuwd: ‘stap NIET over de rode lijn, want die Yankees zijn behoorlijk schietgraag.’ Na een aantal uren werd het alarm ingetrokken, geen Russen. Nog een dankwoord van de commandant van Volkel en we konden vertrekken. M’n halve Hemelvaartsdag verpest.

Ook kasteel Zijpendaal in Arnhem, toen een stafgebouw van de KLu, werd bewaakt door LETS personeel. Het was mijn beurt. Kom ik bij de poort van de LETS om me te melden voor de wacht, staat er iemand bij een KLu busje te zwaaien en roept: "ben jij voor Zijpendaal?". "Klopt", roep ik terug. "Mooi, instappen dan maar" en de man rijdt me naar kasteel Zijpendaal. Nauwelijks daar aangekomen gaat de telefoon in m’n wachthokje; de wachtcommandant van de LETS: "wat doe jij op Zijpendaal? Je had je eerst bij mij moeten melden! Heb je een wapen (UZI) bij je?". "Er stond iemand te zwaaien bij een busje en riep dat ik mee moest komen en nee, ik heb geen wapen bij me", antwoordde ik. Stilte… "Hoe kun je nu wachtlopen zonder wapen?", kwam het van de andere kant. "Ik ga wat regelen", zei de wachtcommandant, "hier ben je nog niet klaar mee korporaal" en hij verbrak het gesprek.
Dat regelen bestond eruit dat de echtgenote van de commandant van de LETS, zij was daar en moest toch naar Arnhem, mij persoonlijk een UZI kwam overhandigen op kasteel Zijpendaal met een begeleidend formulier wat ik moest ondertekenen voor ontvangst! Ik heb nooit meer iets over het voorval gehoord. En zo regen de eentonige lesdagen op de LETS zich aaneen tijdens de warme zomer van 1969. Een kaart-kompas oefening en een training brandblussen waren een welkome afwisseling. Aan schieten deden ze, voor zover ik me herinner, op de LETS niet.

Onverwacht eindigde m’n LETS periode eerder dan ik op die manier gewild had; na een kort ziekbed overleed m’n vader op zaterdag 23 augustus 1969. Daardoor was ik een week afwezig en miste ik de examendagen van de LETS opleiding. Bij terugkomst werd me wel aangeboden het examen alsnog te mogen doen, maar m’n hoofd stond er even niet naar. Daar had men begrip voor. De militaire dienst was er tenslotte debet aan dat ik mijn vader tijdens z’n ziekbed nog slechts tijdens de weekenden had gezien.
Het stoppen met de LETS opleiding betekende geen onderofficier worden maar ook 3 maanden korter dienen. Vooral dat laatste vond ik prima. In afwachting van overplaatsing heb ik nog enkele weken hand- en spandiensten verricht op de wapenkamer en het Squadron Materieel Voorziening (SMV) van de LETS tot m’n definitieve bestemming bekend was.

Straalzender Austerlitz

Bunker
Aad Möntemann bij de deur van Straalzender Austerlitz.

29 september 1969 meld ik mij op het Swagermankamp in Zeist. Ik word geplaatst als hulpmonteur radio-radar op Straalzender Austerlitz, ofwel 2e LVG/SVZ Austerlitz zoals het officieel heette. Nadat ik het inschrijfritueel op het Swagermankamp heb doorlopen, inclusief een gesprek met de commandant Majoor Stein, rijd ik naar mijn standplaats, de straalzender. Die bevond zich in het bos langs de Woudenbergseweg, de huidige N224, t.h.v. de Traayweg.
Een wit gebouw wat meer weg had van een boswachterswoning dan een defensieobject. De 30 meter hoge mast met schotels, achter het gebouw, verraadde echter dat het meer was dan een kneuterig huisje met groene raamluiken. De commandant van de Straalzender, Sgt. Pil, ontvangt me en wijdt me in over de gang van zaken op de straalzender.

Swagermankamp? Niets mee te maken, zorgt alleen voor het eten en tandartsafspraken.
Verplichte sport? Doen we niet aan, op papier maken we wekelijks veldlopen door het bos.
Schieten? Als je het erg graag wilt kan ik het voor je regelen, maar waarom zou je?.
Slapen en eten? Doen we op de straalzender.
Dat klonk aantrekkelijk.

Verder zou ik nog een cursus krijgen die was gericht op de techniek van de straalzender en het netwerk waarvan deze deel uitmaakte. De cursus werd verzorgd door Sgt. Lablans van ‘Link Control’ uit Hilversum. En zo begon mijn loopbaan als hulpmonteur radio-radar-straal.

Vanwege het overlijden van m’n vader, diende ik per direct een verzoek in om ‘uitwonend’ te mogen zijn. Thuis wonen betekent dat. Zo’n verzoek moest er ‘volgens voorgeschreven model’ uitzien. Dus ik zweten om er iets moois van te maken. Kom ik met m’n verzoek bij de Hoofd Inwendige Dienst (HID) van het Swagermankamp: afgekeurd, tekst ‘uitwonend’ klopt niet, dat moet zijn: ‘in eigen huisvesting en voeding voorzien.’ Hij zegt: "laat maar liggen, ik schrijf het verzoek wel voor je, kom het morgen maar ondertekenen". De volgende dag werd ik geconfronteerd met een getypt verzoek op een gekreukeld blaadje met diverse correcties en doorhalingen. Dat thuis wonen gaat niet door vreesde ik, dit accepteert Majoor Stein nooit.
Wel dus; m’n door de HID geschreven verzoek werd per omgaande gehonoreerd met de opmerking, ‘mits er geen klachten komen betreffende niet op tijd aanwezig zijn.’ Dat laatste heb ik een keer heel letterlijk genomen, toen ik door een file op de A2 richting Utrecht in de problemen dreigde te komen. Er liep toen nog een fietspad langs de A2, dus ik met m’n Mini over het fietspad vanaf de oprit bij Ouderkerk tot Vinkeveen waar ik weer de A2 op kon. Ach ik was tenslotte in dienst van defensie en in uniform, dat gaf het gevoel dat je je iets meer kon permitteren dan een ‘gewone’ burger. Dat is ook de enige keer dat het ritje van Badhoevedorp naar Austerlitz in het honderd dreigde te lopen. Files waren een zeldzaamheid in 1970.

Bunker
Dagelijkse controlemeting aan de apparatuur van de straalzender.

Sgt Pil deelde mijn diensten zo in dat ik steeds twee dagen en nachten achter elkaar dienst had om vervolgens weer enkele dagen en nachten thuis te zijn. Eens in de vier weken zat je een heel weekend alleen op de straalzender van vrijdag 17:00 tot maandag 08:00.
Naast Sgt Pil (beroeps) en mijn persoon waren er nog twee medewerkers, een kvv-er en een dienstplichtige. De opdracht was simpel: houd de straalzender te allen tijde operationeel. Dat gebeurde dan ook door elke ochtend een vast meetprogramma aan de apparatuur te doorlopen en periodiek onderdelen vervangen. De apparatuur werd elektronisch bewaakt; viel er onverhoopt iets uit, dan ging een alarmbel rinkelen en kwam je in actie. Meestal ging het om een zendbuis die er mee kapte, maar ook bij mist ging het alarm soms af omdat de schotels van de straalzenders van de diverse stations elkaar niet ‘konden zien’. Soms loste je een probleem op via telefonisch contact met een collega van een andere straalzender, bijv. Schoonhoven of Hoorn.
Die automatische apparatuur bewaking hield ook in dat je op een normale tijd naar bed kon, meestal rond 23:00. Je meldde je telefonisch af bij ‘Link Control’ in Hilversum en ging naar bed. ’s-Morgens stond je om 07:00 op en je meldde je weer aan. Slechts één of twee keer ben ik gedurende mijn diensten uit bed gebeld door het alarm vanwege een storing.

Zoals eerder vermeld, werd het eten verzorgd door de CADI van het Swagermankamp. Een busje van de KLu bracht het, waarbij zaken die heet moesten zijn door onszelf gebraden of opgewarmd moesten worden. Daartoe hadden we een elektrische kookplaat. Water werd van 12 meter diep opgepompt uit de grond. Elektriciteit kwam van het lichtnet, maar er stond ook een noodaggregaat wat elke maand door de dieselploeg van Soesterberg werd getest.
Omdat de apparatuur van de straalzender zo weinig aandacht vroeg - hulde voor Telefunken - was er veel tijd om te hobbyen, TV te kijken en te lezen. In mijn tijd heb ik voor de Geestelijke verzorging van het Swagermankamp een versterker gebouwd. Als tegenprestatie bracht de Aalmoezenier extra koffie, want dat ging er vlot doorheen bij ons. De dieselploeg wist er wel raad mee maar ook de Marechaussees die ons regelmatig controlebezoekjes kwamen brengen waren grootverbruikers van koffie. Verder repareerden we regelmatig een radio of TV voor deze en gene. Benodigde onderdelen lieten we de CADI chauffeur meebrengen van een elektronicawinkel in Zeist.

Bij mooi weer zat ik buiten een boek te lezen of pleegde ik ‘onderhoud’ op het terrein van de Straalzender. Regelmatig kreeg ik dan van passerende wandelaars de vraag: "waar vind ik de piramide van Austerlitz meneer?" Als ik een jolige bui had antwoordde ik: "wat dacht u van die mast achter dit gebouwtje!"
Kortom, een leven als een luis op een zeer hoofd op die straalzender. Je had niet het gevoel militair te zijn. De vier aanwezige UZI’s stonden vast te plakken in hun kluisje. Eenmaal per jaar werd de bijbehorende munitie ververst. Tijdens zo’n weekend waarin je alleen zat was de verleiding groot om eens een haas of konijn te schieten; die kwamen ’s-avonds in flinke aantallen op het verlichte gebouwtje af. Maar ja, dan moest je zo’n dicht geseald pakje 9 mm patronen openmaken, en wist dat maar eens te verklaren…

Bunker
Het gebouw van Straalzender Austerlitz met de uitstraling van een boswachterswoning.

Eén keer kwam een burger laat op de avond in donker aanbellen, ik met een UZI naar het hek. De man schrok zich wezenloos toen hij het wapen zag. Hij kon ten slotte niet weten dat hij bij een defensieobject aanbelde.
De man bleek z’n auto, een Saab, vastgereden te hebben op een houten paaltje wat een fietspad markeerde. Of ik een garage voor hem kon bellen. Eigenlijk mochten we dat niet, daar waren we niet voor, maar ja, noodgeval hè. Voordat ik een garage te pakken had via de veldtelefoon met alle doorverbindingen was ik een half uur verder, maar het lukte. Die man dolblij. Vermoedelijk had hij een prostituee opgepikt op de Woudenbergseweg en was daarmee het bos in gereden. Een andere reden kon je niet bedenken om het doodlopende bospad in te rijden met een auto.

Op enig moment was Sgt. Pil wegens ziekte een tijd uit de running. Er kwam een vervanger van SVS Schoonhoven. Die man had al snel in de gaten dat wij de zaken goed op orde hadden, dus zagen we hem zelden. Hij had een privé handeltje in metaalbewerkingsmachines, waar hij het druk mee had.
Qua inrichting veranderde Pil’s vervanger wel enkele zaken in Austerlitz, vraag me niet meer wat. Toen Pil terugkwam kregen die twee daar bijna slaande ruzie over. Ik ben maar even buiten gaan staan, je bent per slot van rekening maar Korporaal….

En zo kwam langzaam mijn einde diensttijd, 6 juni 1970, in zicht. Tot twee dagen daarvoor niets gehoord, dus ik zeg tegen Pil: "gaat dat wel goedkomen?"
Hij bellen met het Swagermankamp, waren ze me totaal vergeten. Wat wil je, zo’n afgelegen post… Alles werd met spoed in werking gesteld; op één dag uitkeuren, spullen inleveren, getuigschrift maken en uitschrijven, soms kan het snel bij defensie. Alleen m’n nette schoenen, stropdas en grijze sjaal mocht ik houden, evenals het militair paspoort en het ‘kadaverplaatje’. Zo eindigde mijn van 21 naar achttien maanden ingekrompen dienstplicht bij onze Koninklijke Luchtmacht. Op herhaling ben ik nooit meer geweest.

Terugblik

Terugkijkend op die Luchtmacht tijd zeg ik: "jammer dat de dienstplicht door alle verhalen er omheen je al tegen gemaakt werd voordat je moest opkomen. Er was vast meer uit te halen geweest." Ik had bijvoorbeeld best bij een bergingsdienst willen zitten; oorlogswrakken uit de Flevopolder spitten. Had ik misschien wel beroeps geworden, maar ja die verdomde verplichte sport hè…
Zelf zie ik de diensttijd als afscheid van de onbezorgde jeugd. Dat wordt nog eens benadrukt door het overlijden van m’n vader in die periode. Ik ben enig kind, m’n moeder had alleen mij nog. Het gezin was incompleet geraakt.

De arbeidsovereenkomst met de KLM verplichtte deze het dienstverband gedurende de militaire dienstplicht aan te houden, en verplichtte de werknemer na afloop zich weer bij de KLM te melden. In feite stond je bij de KLM gedurende je militaire dienst op non-actief. Dat betekende geen salaris maar ook niet goedkoop vliegen. Alleen het personeelsblad bleef je ontvangen. Na de KLu tijd had ik geen trek meer in de continudiensten bij de KLM en heb er per direct m’n ontslag genomen.

1 april 1978 werd het KLu straalzendernet buiten gebruik gesteld en vervangen door het ASCON netwerk. Straalzender Austerlitz is tussen 1982 en 1989 gesloopt. De voormalige locatie is nog slechts door insiders terug te vinden. Wat zal er van Sgt. Pil geworden zijn? En hoe is het de maten van de LOKS vergaan? Een enkele naam is nog te vinden via social-media. En… we leven nog steeds in een vrij land, daar heb ik toch een heel klein steentje aan bijgedragen.