Kringenwet 1814

Door deze wet, en de erop volgende Kringenwet 1853, zijn afwijkende houten woningen en boerderijen gebouwd en behouden gebleven. Dit zijn de zogenaamde Kringenwetwoningen en Kringenwetboerderijen en er zijn zelfs een houten zeewering (Bakkerskil) en houten zwembad (Weesp).
Deze Kringenwet is vervangen door de Kringenwet 1853.


STAATSBLAD

DER

VERËENIGDE NEDERLANDEN.

(N°. 106.) WET, houdende bepalingen omtrent de militaire 's lands gronden en gebouwen; en het bouwen en aanleggen van woningen, tuinen, boomgaarden of andere gestichten in den omtrek van vestingen, sterkten, posten en linien van defensie. Gearresteerd den 16den November 1814, no. 55.

Wij Willem, bij de gratie GODS, Prinse van Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Verëenigde Nederlanden, enz, enz, enz,

Aan alle de genen, die deze zullen zien of hooren lezen; salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat vele der van ouds bestaande bepalingen omtrent de militaire 's lands gronden en gebouwen in het algemeen, en bijzonderlijk ten aanzien van het bouwen en aanleggen van woningen, tuinen, boomgaarden of andere gestichten van welke aard ook, in den omtrek der vestingen, sterkten, posten en linien van defensie gelegen, door lengte van tijd, ofgeheel niet meer geobserveerd, of zoo zeer uit het oog verloren worden, dat daaromtrent veelvuldige misbruiken plaats hebben, welke behooren te worden tegengegaan, en dewijl het ook voor Onze ingezetenen van belang is, dat die bepalingen aan hun worden herinnerd, ten einde zij zich riet zouden blootstellen aan de nadeelen en verliezen, welke de overtreding van dezelve t' eeniger tijd hun zoude kunnen veroorzaken;-
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeenloverleg van de Staten Generaal dezer landen, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, te arresteren de navolgende bepalingen:

Art.1

Als eigendommen van den Staat worden aangemerkt alle gronden en gebouwen, welke in den loop der laatste vijftig jaren tot de fortificatien hebben behoord, en gevolgelijk alle terreinen, waarop eenige werken van defensie zijn aangelegd geworden; alle wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of geävanceerde werken; alle pleinen waarop militaire gebouwen gesticht zijn, voorts alle linie, posten, retranchementen, redouten. di,iken, sluizen, kanalen en hunne boorden, die in het voorsz. tijdvak tot eenige vestingwerken hebben behoord.
De bovengemelde eigendommen van den Staat zijn van het ressort van het Departement van Oorlog, de concert met zoodanig ander departement van algemeen bestuur of van administratie, als daarbij onmiddellijk mogt zijn geconcerneerd; zullen mitsdien zoodanig departement daarover nimmer geheel of gedeeltelijk kunnen beschikken, zonder voorkennis van dat van Oorlog, het welk ook daaromtrent geene dispositie zal kunnen nemen, zonder de belanghebbende administratie alvorens te hebben gehoord; terwijl, in cas van verschil, de zaak aan Onze beslissing zal worden onderworpen.

Art.2

In alle de vestingen, van den Staat wordt als militaire 's lands grqnd aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:

Art.3

Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, geävanceerde posten, retranchementen, Iinien en batterijen, zijn geheel militaire 's lands gronden, met alle de zoo achterwaarts als voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij derzelver aanleg door het Gouvernement aangekocht. Op de bewoonde forten enz. zijn de bepalingen toepasselijk in art. 2 vermeld.

Art.4

In alle vestingen, forten enz., waar de afscheidingen tusschen 's lands militaire gronden, door vestingwerken of militaire gebouwen geoccupeerd, niet duidelijk en behoorlijk zijn, zullen dezelve door de officieren van de genie, met overleg der plaatselijke besturen, eens en voor altoos, door goede kenteekenen worden bepaald.
De processen-verbaal hiervan zullen door de directeuren van de fortificatien met de wederzijdsche consideratien der belanghebbenden, aan het Departement van Oorlog worden ingezonden, ten einde daaromtrent, op voordragt van het gemeld departement, door Ons te worden beslist.

Art.5

Van alle gronden, binnen de hiervoren bepaalde limieten begrepen, die door de gemeentebesturen of door particulieren in deze oogenblikken mogten geoccupeerd of gebruikt worden, zullen de bewijzen van eigendom of van het regt tot gebruik, binnen den tijd van zes maanden, van de dagteekening dezer wet af te rekenen, aan het Departement van Oorlog, met de consideratiën der directeuren van de fortificatien, moeten worden ingezonden.
De verschillen omtrent de wettigheid der geproduceerde bewijzen van eigendom, zullen door Ons, op advis van den Hoogen Raad, worden beslist.
Ten aanzien van de vernieuwing van voormaals verleende concessiën tot gebruik op den duur en onder billijke verbanden, zal het Departement van Oorlog aan Ons de noodige voordragten doen, ten einde, daartoe termen zijn, dezelve bij voortduring te blijven verleenen.
Alle reclames van dien aard, zullen, na expiratie van den gestelden termijn van zes maanden, als onwettig aangemerkt en buiten effect gehouddn worden.

Art.6

Er zullen voortaan geene betimmeringen, tuinen of beplantingen op eenig gedeelte van 's lands militaire gronden kunnen aangelegd worden, zonder daartoe verkregen regt, het zij bij aankoop, het zij bij huur of bij concessie door het Departement van Oorlog met de vereischte formaliteiten gewettigd; doch nimmer zal zulks, onder eenige voorwaarde hoegenaamd, in de nabijheid van pulver-magazijnen kunnen worden toegestaan.

Art.7

Het zal aan niemand dan aan de daartot geregtigde militairen, of van wege den dienst der fortificatiën geëmploijeerde en daartoe geautoriseede personen vrijstaan, eenig ander gedeelte daarvan te bewandelen, dan de gewone paden op de walgangen, en zoodanige pleinen, welke voor de passagie onvermijdelijk moeten geschikt blijven.
Ook zullen geene runderbeesten, paarden, schapen, geiten, varkens of ganzen ter beweiding ergens op 's lands militaire gronden worden toegelaten, ten ware op die gedeelten, waarop zulks aan de pachters in de conditiën expresselijk mogt zijn vergund.
De beesten, welke tegen dit verbod op 's lands militaire gronden mogten gevonden worden, zullen dadelijk in schutstallen of verzekerde bewaring worden opgenomen, tot dat door derzelver eigenaars de schaden, aan de werken toegebragt, zullen vergoed zijn, boven en behalve eene geldboete van tien guldens, ten voordeele van die genen, die deze ongeregeldheid zullen aangebragt hebben, en ten gevolge van wier aangifte de aanhaling van het vee voornoemd zal geschied zijn.

Art.8

Alle voerlieden van vrachtwagens en andere rijtuigen zullen gehouden zijn, de barrières, bruggen en poorten van 's lands vestingen en sterkten nimmer anders dan bij den stap hunner paarden door te rijden; alle degradatiën door hun toedoen daaraan veroorzaakt, zullen ten hunnen kosten worden hersteld, en derzelver rijtuigen en paarden zoo lang in verzekerde bewaring gehouden worden, tot dat die vergoeding van schade voldaan, of daarvoor de vereischte cautie zal zijn gesteld, behalve de betaling eener boete van drie guldens, ten voordeele van de wacht, die de ontdekking gedaan heeft; en ten einde niemand van dat verbod eenige ignorantie pretendere, zal hetzelve aan den ingang der buiten-barrières, in leesbare letters, op een afzonderlijk daartoe bestemd bord, worden uitgedrukt.

Art.9

Alle buitenplaatsen, stallingen, huizingen, boerenwoningen, schuren of getimmerten, van welke aard ook; alle tuiningen, boomgaarden, dreeften en andere beplantingen, welke zich bevinden op den afstand van 300 roeden der steden of plaatsen, die in den loop der laatste vijftig jaren tot sterkten hebben gediend of met fortificatie-werken zijn omringd geweest, en thans gerekend worden tot de vestingen, sterkten en linien der eerste en tweede klassen te behooren, zullen, zoodra Wij zulks, voor de defensie van het land, onvermijdelijk zullen oordeelen, op Onzen last afgebroken, verbrand of vernield worden, zonder dat daarvoor eenige vergoeding van schade aan de eigenaars zal worden toegelegd, evenmin als waren deze voorwerpen door den vijand vernietigd.
Voor zoo verre evenwel, tijdens den aanleg dier vestingen, sterkten en liniën van defensie, zich reeds binnen den bepaalden kring van 300 roeden, zoodanige voorwerpen bevonden en deze nog werkelijk bestaan, zal daarvoor, bij eventueel noodzakelijke vernietiging, van 's lands wege, eene billijke schadevergoeding aan de eigenaren worden toegestaan.

Art.10

De bij art. 9 bepaalde afstand van 300 roeden, zal gemeten worden, als volgt:

Art.11

De eigenaren of bewoners van zoodanige voorwerpen in art. 9 vermeld, welke thans nog binnen den bepaalden kring van 300 roeden van de vestingen van de eerste en tweede klassen bestaan, zullen daaraan geene verdere vertimmeringen mogen doen, dan noodig zijn om hunne eigendommen te houden in den stand waarin dezelve zich bevinden.
De eerst aanwezende officieren van de genie in de bedoelde vestingen van de eerste en tweede klassen, zullen naauwkeurig acht geven, dat aan dit artikel stiptelijk warde voldaan.
Ingeval van overtreding, zullen zij zich daarover moeten adresseren aan het plaatselijk bestuur, hetwelk als dan de noodige maatregelen daar tegen zal in het werk stellen, en zich, ingeval van verschil, daarover aan den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken adresseren.

Art.12

Ten einde evenwel den landbouw in den gemelden kring van voorsz. vestingen, sterkten enz. zoo min mogelijk te belemmeren, zal het voortaan (echter alleen op bekomen verlof van het Departement van Oorlog) overeenkomstig het hiernavolgende 20ste artikel aan de opgezetenen vrijstaan tusschen de 100 en 300 roeden van dezelve, houten woningen en getimmerten met daken van riet en stroo opterigten, zonder metselwerken of onverbrandbare stoffen en materialen, dan alleen het kleine ijzer en die bouwstoffen, welke voor de schoor- en haardsteden onvermijdelijk vereischt worden, gelijk ook voor de steenen fondementen en voetingen, mits deze laatste niet hooger dan één voet boven de oppervlakte van het maaiveld optrekkende, en bij gevolg op geene heuvelen of geringste verhooging van het terrein.
Tusschen de vestingen enz. en de eerste honderd roeden, gemeten als in art. 10 bepaald is, zal hoegenaamd geene betimmering of beplanting mogen worden uitgevoerd.

Art.13

In de nabijheid der houten woningen en getimmerten in het voorgaande artikel vermeld, noch ergens elders binnen den bepaalden kring, zullen eenige andere afsluitingen van tuinen of erven gedoogd worden, dan alleen zaamgesteld uit rasteringen en houten schuttingen, vatbaar voor oogenblikkelijke verbranding, en bij gevolg geene doornen- of andere heggen; terwijl de boomgewassen alleen uit vruchtboomen zullen mogen bestaan.

Art.14

Binnen den bepaalden kring van 300 roeden zullen voorts, noch door particuliere personen, noch door provinciale of stedelijke of polder-besturen, noch zelfs door de Administratie van den Waterstaat, eenige dijken, wegen, watergangen, slooten of andere werken kunnen worden aangelegd, zonder de projecten daartoe bevorens aan het Departement van Oorlog in te zenden, ten einde derzelver voorgestelde rigting te beoordeelen, en bij aldien die schadelijk mogt bevonden worden, met gemeenschappelijk overleg zorg te dragen, dat daardoor aan den vijand nergens eenige dekking of schuilplaats verschaft warde.

Art.15

Desgelijks zullen er in den hier boven bepaalden kring nergens eenige hoopen puin, afbraak of andere belemmerende verzamelingen kunnen geborgen worden, dan slechts voor eenen zeer korten tijd, en dan nog alleen daar ter plaatse, waar zulks door den eerst aanwezenden ingenieur, tot wiens ressort de vestingen of sterkten enz. behooren, zal aangewezen zijn.

Art.16

De bepalingen bij artikelen 9, 10, 11, 12, 13, 14, en 15 gemaakt, zijn toepasselijk op alle werken van defensie, linien en posten, het zij dezelve geïsoleerd bestaan, of tot dekking van achter gelegene vestingen en sterkten dienen.
Tusschen die werken en de vestingen of sterkten zal in gewone omstandigheden het bouwen van woningen, het aanleggen van tuinen enz. binnen den kring van 300 roeden kunnen toegelaten worden, doch nimmer zonder bekomene permissie van het Gouvernement en achtervolgens het daarin te stellen verband.
Voor zoo verre zoodanige voorvverpen bij den aanleg der werken reeds binnen dien kring bestonden en thans nog bestaan, zal daarvoor, bij eventueel noodzakelijke vernietiging ook billijke schadevergoeding aan de eigenaren gegeven worden.

Art.17

Wanneer er, vóór de vestingen en sterkten, dorpen of buurschappen bestaan op minder dan 300 roeden afstands, wordt alle aanbouw of betimmering naar den kant der vestingwerken stellig verboden, en wijders op de instandhouding der reeds aanwezige gebouwen de hier voren gemelde artikelen, en wel speciaal het bepaalde bij art. 11, in alles applicabel gemaakt.
In de dorpen of buurschappen, welke thans meer dan 300 roeden van de vestingen en sterkten verWijderd zijn, zal alle verdere aanbouw verhinderd worden, zoodra die dorpen of buurten met derzelver getimmerten tot aan den kring dier 300 roeden zullen genaderd zijn.

Art.18

In den kring der vestingen, sterkten enz., van de derde klasse zal het, in vredestijd, aan de ingezetenen vrijstaan te bouwen, tuinen aan te leggen en hunne erven te amilioreren, zonder speciale permissie van het Gouvernement, met dien verstande echter, dat wanneer de omstandigheden de vernietiging dier voorwerpen t'eeniger tijd mogten vorderen, daarvoor geene schadevergoeding door de eigenaren zal kunnen worden gepretendeerd. - De voorsz. vrijheid houdt op ingeval van oorlog, als wanneer zulks niet dan op verkregen toestemming van het Gouvernement zal mogen geschieden, en onder de daarbij, naar gelang van omstandigheden, te stellen verbindtenissen.

Art.19

De watermolens, tot uitmaling der polders noodzakelijk, zullen, binnen den bepaalden kring van 300 roeden van de vestingen en sterkten der drie klassen, mogen worden gesticht, wanneer dezelve op geene andere plaatsen kunnen opgerigt worden, doch zullen dezelve in dat geval niet anders dan van hout, met bekleedingen van riet of stroo mogen gebouwd zijn, en alzoo, ingeval van nood, vatbaar voor eene oogenblikkelijke destructie, voor welke echter geene vergoeding van schade zal gegeven worden, dan in het geval tenslotte van art. 16 vermeld.

Art.20

Alle aanvragen, welke ten gevolge van de bepalingen dezer wet, zouden mogen gedaan worden om permissie tot bouwing, herbouwing, aanleg van tuinen met opgaande boomen of doornen-heggen, boomgaarden en wat verder zonder voorafbekomene toestemming niet geschieden mag, zullen moeten worden geadresseerd aan het Departement van Oorlog, hetwelk daarop zal innemen de consideratiën van de directeuren der fortificatien.
Ingeval van bekomene toestemming, zullen de vertooners dier verzoekschriften, vóór en aleer handen aan het werk te mogen slaan, zich bij publieke acte, moeten verbinden tot nakoming der daarbij gestelde voorwaarden, en dadelijk, ten hunnen koste, drie legale expeditiën dier acte aan den directeur der fortificatiën doen toekomen, van welke er ééne zal worden verzonden aan het Departement van Oorlog, ééne verblijven zal onder de archiven van de directie der fortificatiën, en het derde bij de papieren van het garnizoen zal worden opgelegd.

Art.21

In tijd van oorlog, zullen door Ons, ter bereiking van het oogmerk dezer wet, de behoorlijke defensie namelijk van het grondgebied van den Staat, zoodanige meer efficacieuse maatregelen ter uitvoering van de gemaakte bepalingen, speciaal ten aanzien van de artikelen 1 en 11, genomen worden, als Wij, in cas van nood, zullen vermeenen te behooren.

Art.22

De directeuren der fortificatiën zijn speciaal verantwoordelijk voor de stipte uitvoering van deze wet. - In hunne uit te brengen advisen, zullen zij altijd de daarbij gemaakte bepalingen moeten in het oog houden, en de artikelen aanhalen, waarop zij hun advis gronden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geïnsereerd en dat een genoegzaam getal exemplaren gedrukt, en naar alle de vestingen, en steden en plaatsen bij en om de vestingen, sterkten en fortificatie-werken van den Staat gelegen, zal worden verzonden, om aldaar te worden afgekondigd en aangeplakt.

Lasten en bevelen voorts, dat Onze ministeriële departementen en andere autoriteiten, justicieren en officieren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden, zonder eenige conniventie of dissimulatie.

Gegeven in 's Gravenhage, den 16den November des jaars 1814, en van Onze Regering het Eerste.

(geteekend)

WllLEM

Ter ordonnantie van Zijne Koninklijke Hoogheid,

De Algemeene Secretaris van Staat,

(geteekend)

A.R. Falck